6 – 9 jaar oud

Daar stond hij dan. 11 jaar, en klaar om het podium op te gaan. Strak in het pak, tekst in zijn hoofd (en op een spiekbriefje) en zijn haar netjes gevlochten. Ik liep als projectleider en coach nog even langs alle kinderen en toen viel het me op. Zijn geschrokken blik, knikkende knieën en de rode vlekken in zijn nek. Hij was angstig. Toen ik hem vroeg hoe het met hem ging, rende hij naar het toilet en hij wilde er niet meer vanaf komen. Faalangst. Een belemmerende angst die hem ervan weerhield om zijn eindpresentatie te geven. Ondanks dat hij zijn tekst zo goed kende en ondanks dat zijn tekst maar uit drie zinnen bestond.

Kinderen met faalangst vreten zichzelf op om soms voor ons onduidelijke redenen, het komt op ons niet logisch over. Want hij kan wel zingen in het koor van de kerk, zelfs zijn solo maar zijn presentatie van drie zinnen lukt niet. Ze krijgen buikpijn, hoofdpijn en vermijden op elke mogelijke manier dat waar ze zo angstig voor zijn. Voor ouders, ooms en tantes kan dit erg lastig zijn. Want wat kan er nou mis gaan als je op een podium staat. Faalangst gaat niet alleen over op een podium staan, het kan ook te maken hebben met de angst om een toets te maken, spreekbeurt te geven en zelfs de angst om mee te doen aan gym. Ik zou graag willen zeggen dat je faalangst verhelpt met mijn zes tips, maar dat is niet zo. Het zijn slechts simpele tips die je kunnen helpen in het benaderen van je kind en als je het echt niet meer weet, zoek hulp, een coach/trainer, de intern begeleider van school, het wijkteam, consultatiebureau en zelfs de huisarts kunnen je adviseren.

Hoe jij je kind met faalangst kunt helpen

1. Herkennen en accepteren

Kinderen met faalangst zijn geen watje, softie, bobo (Surinaams) of kobarde (Papiamento). Naampjes en labeltjes geven helpt totaal niet. Het geeft hen het gevoel dat je het niet serieus neemt. Faalangst verminderen helpt met het serieus nemen van het kind en zijn of haar angst. Bied een veilige omgeving waarin er zonder oordeel en dwang over gesproken kan worden. Accepteer dat je kind last heeft van faalangst en bedenk of jouw verwachtingen van je kind mee kunnen spelen in de angst die je kind ervaart.

2. Leer je kind over angst en het doel

Angst is niet zomaar, het heeft de essentiële functie om te zorgen dat je kunt overleven. Het maakt je alert op eventueel gevaar en zo zorgt het ervoor dat je veilig bent of de veiligheid kunt opzoeken. Het goede nieuws is dat faalangst af te leren is. Het begint heel klein bij jou als ouder met het geven van het goede voorbeeld. Dit kun je doen door allereerst toe te geven wanneer je iets angstig of spannend vind. Ten tweede, dat wat je angstig of spannend vind toch te doen en dan het liefst in het zicht van je kind. En tot slot het er met je kind over te hebben hoe je dit ervaren hebt. Hiermee leer je je kind niet alleen dat het normaal is om angstig te zijn, maar ook dat je angst begrijpt en dat je manieren weet hoe je dit kunt overwinnen.

3. Eerst kalmeren dan praten

Wanneer kinderen met faalangst aangeven dat ze iets niet durven dan is onze neiging om hen uit te leggen dat ze het wel kunnen. Dat ze een kanjer zijn en dat willekeurig-kleiner-of-jonger-persoon het wel kan en gedaan heeft. We willen ze aan de hand nemen en hopen dat ze de moed bij elkaar rapen. Terwijl in feite hun hersenen geblokkeerd zijn, ze staan onterecht in een vecht-vlucht en/of bevries modus. De hersenen zien slechts die drie opties. Voor anderen is de angst vaak onbegrijpelijk en daarom willen we praten, maar praten helpt niet. Het is belangrijker om het kind eerst te kalmeren. Maak gebruik van ademhalings- bewustwordings- en visualisatieoefeningen. Even terug naar de kern en die kalmeren.

4. Leer je kind copingsstrategieeen

Coping gaat over hoe je met stress en problemen omgaat. Er zijn veel verschillende copings strategieën en het is vaak een kwestie van proberen en kijken wat er past. Copingsstrategieen bij kinderen werken het beste als je ze samen doet. Denk aan ademhalingstechnieken en bewustwordingstechnieken. Een tactiek die ik kinderen graag meegeef is de ‘5-4-3-2-1’ techniek. Noem vijf dingen die je ziet in je omgeving, vier dingen die je kunt voelen uit je omgeving, drie dingen die je nu hoort, twee dingen die je nu ruikt en één ding dat je nu op dit moment proeft. Het helpt kinderen om te aarden en zich bewust te worden van het hier-en-nu. Je kunt het preventief gebruiken maar ook wanneer de angst zich al voordoet.

5. Focus op het proces

Kinderen met faalangst zijn zelden tevreden, uit angst voor hun eigen teleurstelling en die van anderen gaan ze soms spannende dingen niet aan. Soms gaan ze het wel aan stoppen ze omdat ze ontevreden zijn over de start en bang zijn voor het resultaat. Het is belangrijk dat jij als ouder je kind helpt om op het proces te focussen en niet op het eindresultaat. Voer gesprekjes over hoe ze iets vinden zolang ze er nog mee bezig zijn. Leer je kind over de groeimindset en dat ze invloed hebben op hun angst en dat ze ervan af kunnen komen.

6. Weet wanneer je moet instappen

Dit is lastig maar zeer belangrijk. Het is lastig omdat het om een balans gaat, de balans tussen je kind beschermen en je kind zijn/haar angst laten ervaren. Enerzijds is het namelijk belangrijk dat jij je kind met kleine stapjes uitdaagt en soms de angst laat ervaren. Anderzijds is het belangrijk dat je tijdig ingrijpt om erger te voorkomen. Deze stap is puur intuïtief, niemand kent je kind zoals jij dat doet en het feit dat je erover nadenkt en ermee bezig bent zal je helpen om op het moment een keuze te maken. Geef je kind om tijd en ruimte te leren van zijn / haar fouten, praat erover en kijk waar en wanneer jij je kind beter nog even kunt beschermen.

‘Zelfvertrouwen is what makes the world go ‘round’. Niet helemaal, maar in interactie met andere mensen komt het wel ontzettend goed van pas. Zelfvertrouwen omschrijf ik als het vermogen om van jezelf te houden, jezelf als een prettig mens te zien dat zijn/haar inspanning en blessings waardig is en in staat is om positieve veranderingen teweeg te brengen. Daarnaast blijkt uit verschillende onderzoeken dat mensen met een positief zelfbeeld betere keuzes maken, veerkrachtiger zijn en beter hun best doen om hun doelen te bereiken. Ze zijn vaker gelukkig, succesvol in wat ze doen en emotioneel stabiel. See? It makes the world go ‘round.

Het mooie aan zelfvertrouwen is dat het niet iets permanents is. Als ouder kun je het beïnvloeden. Je kunt het vergroten en verbeteren en ervoor zorgen dat kinderen opgroeien tot gelukkige, succesvolle en emotioneel stabiele volwassenen. Je doet vast al een heleboel dingen om eraan bij te dragen. Maar had je al eens bewust stil gestaan bij mijn tips?

Hoe jij jouw kind mentaal sterk praat

1.Biedt keuzes en geef verantwoordelijkheid 

Zelfvertrouwen is niet iets dat je alleen aangepraat kan worden. Door te ervaren wordt het zelfvertrouwen vergroot. Als volwassene is het daarom essentieel dat je ook daadwerkelijk het vertrouwen hebt in een kind en het laat merken. Het begint met het aanbieden van leeftijdsadequate keuzes en verantwoordelijkheden. Laat je peuter bijvoorbeeld zelf eens een kledingstuk uitkiezen en aantrekken. Je 4-6 jarige eens de weg leiden naar school. Kijk wat er bij je tiener past qua vrijheden.

Probeer bepaalde persoonlijke normen en waarden eens een beetje losser te laten en bied je kind de veilige ruimte om fouten te maken. Het ervaren van deze ruimte om fouten te maken helpt om het zelfvertrouwen te vergroten.

2. Complimenteer het proces niet het resultaat

In deze maatschappij zijn we erg gebrand op het behalen van goede resultaten. Daardoor lijkt het normaler om een compliment te geven als we het rapport vol tienen zien dan wanneer het kind bezig is met huiswerk maken. Terwijl het juist ook fijn is als je een compliment krijgt terwijl je bezig bent met de inspanning en dus niet alleen wanneer het harde werk al gedaan is. 

Meer complimenten betekent niet per se goede complimenten. Een effectieve manier om doelbewust aan de slag te gaan met het vergroten van het zelfvertrouwen is door slechts een aantal hele oprechte specifieke complimenten te geven. 

In plaats van ‘goed zo’ en ‘heel goed’ te herhalen, denk na over wat je precies goed vond. ‘Ik ben er trots op dat je opgave vier nog eens probeerde terwijl je het eerder zo moeilijk vond’ of ‘Ik zag dat je er eerst heel erg tegenop keek en het toen toch maar ging doen dat inspireert mij ook om dat ook maar eens te gaan doen met de was’.

3. Creëer kansen en daag uit

Ieder kind heeft iets waar hij of zij goed in is. Door activiteiten aan te bieden die passen bij de interesses van je kind kun je het werken aan het zelfvertrouwen leuk houden en kun je tegelijkertijd je kind uitdagen. Ga bewust aan de gang met het aanbieden van oefenmomenten en kijk waar je het in overleg met je kind ietsjes moeilijker (maar nog wel haalbaar) kunt maken. Het overleg is belangrijk zodat je kind zich bewust is van dat de uitdaging wel of niet behaald heeft. Is het niet gelukt, geen ramp dan was het voor nu nog te moeilijk. En nu weten jullie dat. Is het gelukt, dan is dat prima en kun je het misschien nog een beetje moeilijker maken in overleg.

4.Vermijd kritiek en sarcasme

Iedereen heeft een innerlijke stem, het stemmetje dat je helpt met keuzes maken, dat je vertelt wanneer je verliefd bent en dat je soms ‘je kunt het!’ influistert. Als ouders en volwassenen onderschatten we soms wat voor invloed onze manier van praten heeft op kinderen. Hoe meer wij als volwassenen positief en bemoedigend praten tegen de kinderen in onze omgeving, des te meer de innerlijke stem zich helpend en steunend vormt.

Kritiek is soms gewoon niet te vermijden in het ouderschap. Maar er zijn verschillende manieren om je kritiek te uiten zodat ze niet ten koste gaan van het zelfvertrouwen dat je probeert op te bouwen. 

  1. Bekritiseer niet vanuit je frustraties. Neem de tijd om af te koelen en biedt je kritiek aan als feedback. Als een wens voor ander gedrag.
  2. Bekritiseer je kind niet bij anderen. Dit leidt tot schaamte en draagt niet bij tot een goed gevoel.
  3. Benadruk dat je het gedrag dat het kind bekritiseerd en niet het kind zelf.

Een go-getter is een persoon die angsten overwint en zich niet te lang laat tegenhouden door tegenslagen, iemand die zichzelf uitdaagt door doelen te stellen en deze behaalt. Sommige kinderen zijn van nature go-getters en anderen zijn dit niet altijd. Dat wilt niet zeggen dat je ze niet kunt helpen om het go-getters gedrag vaker te laten zien. Het grappige is dat wij mensen allemaal als go-getters geboren worden, baby’s zijn pure go-getters. Ze willen leren om hun flesje zelf vast te houden hoevaak hij ook in hun gezicht valt, ze blijven het proberen. Of wat denk je van dreumesen die willen leren lopen, hoevaker ze vallen des te vaker ze opstaan.

Het belangrijkste stukje van de definitie van een go-getter is voor mij ‘doelen stellen’. Effectieve doelen stellen zijn ontzettend belangrijk, zowel op school als in het latere leven. Door doelen te stellen met je kind leer je ze verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen leren en gedrag. Je vergroot daarmee de kans op successen in hun latere leven en je helpt ze aan een mindset waardoor ze zich bewust worden van het feit dat ze (grotendeels) zelf verantwoordelijk zijn om hun dromen te bereiken.

Bij dezen deel ik 7 tips om samen met je kind op een effectieve manier doelen op te stellen, de voortgang bij te houden en samen gemotiveerd te blijven. En gelukkig werken de doelen ook voor volwassenen.

Hoe je je kind in zeven stappen helpt om een go-getter te worden

1. Laat je kind zelf het doel bedenken

Hoe graag je ook wilt dat je kind zich met iets bezig houdt, het is écht beter als je kind zelf op een idee komt. Zeker als je net start met doelen opstellen. Stel je voor dat iemand nu voor jou gaat bepalen dat je Aukaans (= Eén van de Surinaamse talen) gaat leren. Dan zul je er in eerste instantie misschien niet eens gemotiveerd voor zijn. Want waarom zou je het moeten leren en wat heb je er precies aan. Een belangrijk onderdeel van een doel is motivatie. Als je er niet gemotiveerd voor bent, kun je hem ook beter niet opstellen. Als volwassene kun je er wél een beetje in proberen te sturen (succes niet gegarandeerd). Bijvoorbeeld door een categorie voor te stellen ‘school’, ‘thuis’. Maar wees daar voorzichtig mee als je net start, begin leuk en met alle vrijheid! 

2. Maak het doel haalbaar

Schrijf het doel zo duidelijk mogelijk op. Welk gedrag valt er te zien? Zorg dat je kind goed begrijpt wat de verandering is. Schrijf het doel op in makkelijke woorden. Zorg dat het doel te controleren is. Wat is het verschil als je dit doel niet opstelt? Hoe ziet dit eruit? Maar ook hoe ziet het eruit als het doel wél behaald is? Voor sommige kinderen helpt het als je er ook een tijd aan koppelt. Denk S.M.A.R.T.

3. Bespreek de tussenstappen

Elk groter doel heeft tussenstappen. Kleine doelen die eerst behaald moeten worden voordat het grotere afgestreept kan worden. Deze helpen niet alleen om je doel inzichtelijk te maken maar ook om je te blijven motiveren voor je doel. Het is belangrijk om deze net als het grote doel zo duidelijk mogelijk te omschrijven, te evalueren en te vieren als ze behaald zijn. Soms merk je tijdens het behalen van de tussenstappen dat je het einddoel moet veranderen. Prima zeker doen! Zorg dat het leuk en haalbaar blijft!

4. Bespreek de winst van het doel

Waarom wil je dit doel behalen? Wanneer je het voordeel inziet van je doel dan draagt dit bij aan de motivatie om het doel te behalen. Stel dat je het doel nu behaald hebt, wat is er dan beter in je leven? Wat is er dan anders? Kortom, wat levert het doel je op. Dit helpt om de motivatie erin te houden. Dit kun je ook met de tussenstappen doen, wat levert elke tussenstap je al op? Uit onderzoek blijkt dat als je doel ook andere mensen kan helpen, de meeste mensen er nóg gemotiveerder voor zijn. 

5. Wat zijn mogelijke belemmeringen?

Elk doel heeft belemmeringen anders zou je het al doen. Het is dus belangrijk om hier goed over na te denken. Voor jongere kinderen kan deze stap moeilijk zijn dus zul je met voorbeelden moeten komen. Oudere kinderen vanaf (gemiddeld) 9 jaar kunnen hier al prima over nadenken. Welke dingen kunnen ervoor zorgen dat het bereiken van je doel nóg moeilijker wordt? En wat kan jou dan helpen? Wie kan jou dan helpen? Belemmeringen kunnen bijvoorbeeld gedrag zijn, huisregels of dat één van de benodigdheden voor het doel niet altijd beschikbaar is. Bespreek ook met je kind dat ‘opgeven’ een mogelijkheid is. Kijk in hoeverre je daar afspraken over kunt maken. Wie/wat kan jou helpen om door te zetten?   

6. Maak het visueel!

Bij de allerjongsten is het leuk om zoveel mogelijk tekeningen te maken of om er een collage van te maken door plaatjes uit te printen en knippen. Bij oudere kinderen (of minder creatieve kinderen) kan het opschrijven van de doelen ook helpen. Hang de doel op een plek waar het nodig is. Bijvoorbeeld bij het bureau als het om schoolwerk gaat of in de keuken als het om eten gaat. 

Waardeer de inspanning en vier voortgang

Als volwassene zijn we soms iets te kritisch en vergeten we dat we al best veel vragen van kinderen. Kinderen zijn echte gevoelswezen en doen alles vanuit hun gevoel. Willen we hen dus gemotiveerd houden dan moeten we ervoor zorgen dat we ze gemotiveerd houden. Geef complimenten omdat ze het proberen, omdat ze zich ervoor hebben ingespand. Benoem dat je trots op ze bent en dat ze je inspireren omdat ze er zo hard mee bezig zijn. Houd er rekening mee dat ze misschien niet altijd even gemotiveerd zijn en dat je ze soms ook hun rust gunt. Benoem dat en benoem dat je trots bent op het feit dat ze even hun rust pakken. Bekijk de vooraf bedachte belemmeringen en kijk hoe ze er weer bovenop kunnen komen. En vier elke-kleine-stap die ze dichter bij het behalen van hun doel brengt.

Stel je voor. Je staat in de gym. Je gaat voor de eerste keer iets nieuws proberen. Je pakt dat wat je nodig hebt, doet je uiterste best maar het lukt voor geen meter en uit gewoonte roep je ‘ach ik kan dit niet’. Want logisch, je doet het voor de eerste keer dus hoef je het nog niet te kunnen toch? Nu komt er iemand langs en die zegt, ‘Tuurlijk kun je het wel, kijk ik ga je helpen!’. Hij of zij doet wat jij wilde doen tot in perfectie, gelijk 25 herhalingen. Doet het zonder zuchtje zonder kreun en zegt ‘Nu jij!’. Welk gevoel krijg je hierbij? En wat heb jij er precies van geleerd? Wees eerlijk, heb je er nog zin in om het te proberen?

Dit is wat er vaak gebeurt als kinderen uit frustratie ‘ik kan het niet!’ roepen of ‘het lukt me niet!’. Tijdens het helpen willen wij als volwassenen met de allerbeste bedoelingen laten zien dat het ‘goed te doen is’, dus doen wij voor hoe het moet ‘tuurlijk kun jij het wel! Gewoon even doorzetten! Kijk, zo makkelijk!’. Onbewust en onbedoeld laten we dan zien dat wij het wel kunnen, dat wij het ook nog eens makkelijk vinden. Terwijl we totaal voorbij gaan aan het gevoel van het kind, hopen we daarmee ook nog eens het kind te motiveren. We zijn dan verbaasd als het kind boos wordt en/of opgeeft omdat we ons niet bewust zijn van de boodschap die we afgeven. ‘Kijk, zo makkelijk’ zeggen terwijl het kind zijn brein in de overtuiging is dat het niet kan, helpt helemaal niets. Laten zien dat wij het wél kunnen bevestigd nog meer de overtuiging dat het moeilijk is, want wij zijn volwassenen en zij zijn de kinderen.

Hoe kun je kinderen nou het beste uit die ‘ik kan het niet’ stand halen? Lees verder voor mijn tips!

Hoe je het beste omgaat met een kind dat 'ik ksn het niet!' zegt

1. Zorg dat je zelf het goede voorbeeld geeft

Kinderen observeren ons volwassenen. Hoe moeten ze anders weten hoe volwassenen zich gedragen? Als je een ‘ik kan het niet!’ kind wilt motiveren om door te zetten, dan is het belangrijk dat je laat zien hoe jij jouw ‘ik kan het niet!’ gedachten omzet naar ‘ik ga het proberen’, Lead by example. Praat hardop als je iets moeilijk vindt, laat zien hoe jij van een ‘ik kan het niet’-stand overstapt op een ‘ik ga het nog eens proberen’-stand. Sommige kinderen vinden toneelstukjes leuk, waarbij jij als volwassene iets simpels overdreven moeilijk vind. Stel jezelf ervoor open om door je kind gecorrigeerd te worden op de momenten dat je je er misschien niet bewust van bent dat je in een ‘ik kan het niet’-stand stond.

‘The important thing is that when you see your child struggle, let them struggle a little longer than maybe is comfortable for some of us.’

– Angela Duckworth (schrijfster van Grit: The power of passion and perseverance)

2. Bied activiteiten aan die het zelfvertrouwen vergroten

Kies activiteiten uit die het zelfvertrouwen van je kind vergroten, dit zijn activiteiten die je zo hebt voorbereid dat ze haalbaar zijn voor je kind of activiteiten waarvan je al weet dat je kind dit een beetje kan. Dit doe je om het gevoel van ‘proberen’ te activeren. Hierbij benoem je dan uitgebreid de positieve dingen die je ziet. Bijvoorbeeld dat je kind geconcentreerd bezig is, alle spullen overzichtelijk neerlegt. Alles dat je kind even vergeet wanneer het in die ‘ik kan het niet’-stand zit. En vergeet het dan niet uitgebreid te vieren. Je kind heeft namelijk wél doorgezet, raakte afgeleid maar ging door, heeft hulp gevraagd. Er valt altijd wel wat te vieren!

3. Luister én toon begrip

Te vaak willen we het ompraten en aan het gevoel voorbij gaan. ‘Nee natuurlijk kun jij dat wel!’, ‘Jij bent een Obama, wij Obama’s kunnen dat!’. Terwijl het veel fijner is voor het kind om soms gewoon even een ei kwijt te kunnen. Soms is iets gewoon vervelend en moeilijk. En dat is prima. Probeer je goedbedoelde adviezen nog even achterwege te laten totdat er expliciet om gevraagd wordt.

4. Stel open en motiverende vragen

Soms wilt het kind op weg geholpen worden en dan werken open vragen het beste, ‘Wat heb je van mij nodig?’, ‘Wat heb je al geprobeerd?’, ‘Hoe heb je dit vorige keer opgelost?’. Je kunt ook keuzes bieden zoals ‘Je kunt het nu proberen af te maken, of je neemt even een pauze en probeert het dan nog eens’. En verstop kleine complimentjes in je vragen ‘aan jouw vraag kan ik merken dat je er heel goed over nagedacht hebt!’.

5. Weet wanneer je moet instappen

Soms is iets gewoon te moeilijk en dat is geen ramp. Maar het doel is dat er wat vaker geprobeerd wordt. Dat er niet opgegeven wordt omdat het nou eenmaal ‘een jongen / meisje is’, of omdat hij/zij nou eenmaal de zwakste van de klas is. En dat het compleet los staat van het gevoel van eigenwaarde. Dus is het als volwassene belangrijk om er goed bij te blijven en om ook eerlijk te kijken van of misschien nog niet bij de leeftijd/ontwikkeling van je kind past. Biedt dan een aangepaste of versimpelde versie aan. Kijk waar en hoe je het kind een beetje op weg kunt helpen.